In het gedichten-prentenboek leidt een witte vogel ons langs alle kleuren en voor elke kleur is er een gedicht, te beginnen bij (d)roomwit. Het is een zalige, zoete droom waarin een hele klas al spartelend in een roomplas slagroom maakt.
Vervolgens vliegt de vogel naar zonnig geel, als je goed kijkt zie je dat twee van haar veren geel gekleurd zijn. Dan door naar blauw, met daar een gedichtje met veel ou/au-klanken, eindigend met een grapje: Ik houd nu eenmaal van blauw | Behalve van een blauwe plek. Inmiddels heeft de vogel dan ook wat blauwe veren en vliegt door naar groen. Daar staat een grappig gedichtje over twee groene krokodillen die in een weiland ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ spelen. ‘En het is groen’ en dat op een pagina met alleen maar groentinten. Welk sprietje gras heeft de krokodil in gedachten? Die spriet? Nee, die niet. Die spriet? Ook niet. Ook hier heerlijk woordenspel, nu met de ie: het was een mini-sprietje.
Uiteraard komt de vogel nog langs meer kleuren, eindigend bij het zwart van de nacht. De vogel heeft ondertussen allemaal gekleurde veren.

